Wheel of Consent in de Zorg

Ik kwam in aanraking met de Cirkel van Overeenkomst, (Wheel of Consent) van Betty Martin. Zij heeft dit model ontwikkeld vanuit haar werk als relatie-en intimiteitscoach. Zodoende is het dus heel praktisch als het gaat om wel of niet instemmen in bijvoorbeeld een seksuele relatie.

Nu ik al een tijd rondloop in de ouderenzorg en daarin ook de Wet Zorg en Dwang van kracht is gegaan, ben ik dat model ook vanuit die hoek gaan bekijken. Het model bespreekt de kant van de gever en van de ontvanger. Wie wil wat, wie is de gever en voor wie is het?

Geven betekent: je neemt actie voor het welbevinden van de ander. Maar geven heeft verschillende aspecten. Soms is geven iets dat je doet voor de ander, je bent dan dienend aan de ander. Maar het komt ook vaak voor dat je geeft, terwijl je daar zelf erg van geniet. Je bent dan in meerdere mate voor jezelf bezig als voor de ander. Dit is een heel belangrijk verschil en niet altijd gemakkelijk te maken. Soms hebben mensen niet door dat datgene dat zij geven eigenlijk voor zichzelf is. Maar je herkent misschien onderstaande converstatie wel:

  • wil je een kopje thee?
  • Nee, dank je
  • Maar ik heb het speciaal voor jou gezet
  • O, nou doe dan maar.

In dit korte voorbeeld is de thee de gift, maar aan het einde van het gesprekje kun je je afvragen wie hier de gever en wie de ontvanger is. Ontvangen betekent: je hebt voordeel van de gift van de ander. Toestaan betekent: je sta toe dat de ander jou iets geeft voor diens plezier. In bovenstaande voorbeeld sta je het kopje thee toe.

Zoiets dergelijks kan ook wel in de zorg voorkomen. Veel ouderen vinden het lastig om aan te geven dat ze iets niet willen, en zijn vaker dan je denkt in het kwadrant “ toestaan” Dat kan verwarrend zijn. Jij, als zorgmedewerker denkt dat je geeft en dat de bewoner daarmee automatisch in ontvangen zit. Dit is dus niet zo. Als de bewoner in toestaan zit, voelt het voor de bewoner óók als een gift, namelijk aan jou als zorgmedewerker. Op deze manier ontvangt niemand iets.

We gaan er vaak vanuit dat de ander in het tegenoverliggende kwadrant zit, maar dat hoeft zeker niet altijd zo te zijn. Daarom is het belangrijk om helder te communiceren over wat je wilt en wat de consequenties zijn. Dan ben je het eens over wat er gebeurt. Soms is de ander in geven en veronderstelt dat de ander in ontvangen zit, maar de ander zit in toestaan, zij laat het toe en daarom voelt zij het geven meer als nemen.

Ben je buiten de cirkel van instemming, dan zit je in de schaduwzijden. Daar zitten de mensen die het lastig vinden om nee te zeggen, bijvoorbeeld door afhankelijk te zijn. Dit gaat makkelijk mis als je niet goed weet wat je doet en ervan uitgaat dat de ander het wel zegt als die het niet meer prettig vindt. Zeker in de ouderenzorg merk ik dat bewoners op leeftijd het erg moeilijk vinden om aan te geven wat ze niet prettig vinden. Dit heeft te maken met leeftijd: vroeger was men blijkbaar niet zo gewend om tegen dingen in te gaan. Niet klagen, maar dragen. Maar het heeft ook te maken met een machtsongelijkheid. Vaak zijn bewoners (onbewust) bang dat ze mindere of geen zorg meer krijgen als ze klagen. Ook hier dient de zorgmedewerker zich erg bewust van te zijn.

0
0
0
s2sdefault

Ja maar, mag dat nou wel of niet??

Tijdens trainingen en werkbegeleiding loop ik vaak tegen het volgende aan: de deelnemer is in gesprek met een klant/cliënt/medewerker/leidinggevende met een klacht of feedback. Dat is voor veel mensen al behoorlijk lastig, omdat ze vaak het idee hebben dat ze persoonlijk worden aangevallen.

Een gesprek zou dan als volgt kunnen lopen:

  • ik zit de hele tijd op dat stuk te wachten en de deadline is al verlopen. Ik krijg daar stress van.
  • Ja dat snap ik, maar daar kan ik niets aan doen. Ik zat weer op Johan te wachten en die is altijd zo laat!

De eerste voelt zich zeer waarschijnlijk niet begrepen. En dat zit 'm in de taal. Deelnemers zeggen dan: ik heb toch gezegd dat ik het begrijp?? Dat is zo. Door die maar veeg je datgene dat je daarvoor hebt gezegd van tafel. In het Engels wordt dan wel gezegd ‘everything before the but is bullshit’ We spreken dus heel vaak over het vermijden van het woord maar.                                 De tip is dan: blijf wat langer hangen bij het begrijpen van de ander, en het oplossen van het probleem komt als de ander zich gehoord voelt.

Het is nogal hardnekkig, dat ja maar. Dat roept bij mij de impuls op om tegen deelnemers te zeggen “nooit doen!” Toch zijn er ook momenten dat ja, maar wel goed is.

Als je een grens wilt stellen in een gesprek, kan het een heel handige manier zijn om de deur naar de ander nog open te houden. Het komt af en toe voor dat een ander zich woorden permitteert, die je niet over je kant hoeft te laten gaan. Ik denk hierbij aan sterke scheldwoorden, of persoonlijke aanhoudende beschuldigingen. Bijvoorbeeld; je bent een lui varken, die nooit wat uitvreet. Waarschijnlijk komt deze manier van praten uit frustratie voort. De frustratie is iets waar je wat mee wilt, en je wilt dan de relatie met de ander zo goed mogelijk houden. Dat lukt echter niet als de ander je grens over gaat, door zulk grof taalgebruik. Een grens stellen is dan belangrijk. Een handige manier om dat te doen is door het gebruik van ja maar: (ja) Ik wil graag met je praten, maar ik heb er bezwaar tegen dat u mij een lui varken noemt.

Op deze manier geef je de ander de mogelijkheid om zijn manier van spreken aan te passen en toch in gesprek te blijven. Vaak lukt dit, hoewel het vaak een beetje getrapt gaat. Van iemand die op nivo 10 boos is, kun je niet verwachten dat hij in één stap naar 0 zakt.

Heel soms lukt het niet, en dan kun je je grens herhalen en het gesprek afbreken om het op een ander moment voort te zetten.

Dus ja, maar. Vaak niet heel handig, maar soms wel!

 

grens.toeteren

0
0
0
s2sdefault